Kronieken herfst 2026
Bijgevoegd is een lijst te vinden van de Kronieken die gedeeld zijn in aanloop naar evenement 1, in het najaar van het jaar 200 n.R.
“Geen enkel koninkrijk kan weten waar het heen gaat als het niet weer waar het vandaan komt. het is essentieel dat wij de fouten en wijsheden van het verleden niet vergeten. zodat wij ons kunnen vasthouden aan tradities en wijsheden. zodat wij hopelijk de fouten uit het verleden niet herhalen.” ~ Zomer 200 n.R. Koning Maximus Darovich, zoon van Svebia, Breker van Ketenen, Prins van de Kroonlanden, Redder van Kallenna, Drager van Korvax, Kroon van het Rijk
50 jaar na de laatste nacht der herinneringen is de volgende alweer aangebroken, een samenkomst op het buitenhof. Wanneer de Maan in zijn eerste kwartier zal staan zullen de ritualisten samenkomen met de gasten van de Koning, en kennis opdoen uit het heden en het verleden. De nacht daarvoor houdt de Kroon een banket voor al zijn geëerde gasten en Rijksburgers die hopen gehoord te worden op de Konings tweede editie van het samenroepen van Rijksburgers.
Banket der Herinneringen
Traditie gewijze zal er de avond voor de Nacht der herinneringen een Banket worden georganiseerd en wordt iedereen in hun beste kleding verwacht. Niks mag ontbreken deze nacht. Het hoofd van de kroonwacht en dochter van de koning, Melida Darovich heeft al laten weten dat ze druk bezig is met de locatie veiliger maken dan ooit tevoren.
Gasten die verwacht worden bij het banket
Naast alle burgers die er zeker op af zullen komen zijn er al een aantal gasten die hebben aangegeven langs te komen voor het banket. Zo hebben wij vernomen dat de Prins van Andesia zich zal aansluiten bij het gezelschap op de avond van het banket. Ook Jack en Jill Lander hebben laten weten langs te komen.

Zij zullen dienen als vertegenwoordiging van de Kroonlanden en zijn mensen die recentelijk de kans hebben gekregen een eigen domein te worden. Ook heeft de Nobiliteit van Svebia interesse getoond in dit banket, wie precies komen laten ze nog niet weten.
Nacht der herinneringen
De nacht der herinneringen is een traditie die eens in de 50 jaar gebeurt wanneer de maanstand perfect is en de sterren weer op de goede plek staan. Een mogelijkheid voor de dan regerende kroon en zijn gasten om te leren uit het verleden en heden en te spreken met onze veren voor ouderen. Van origine is de Nacht der herinneringen een Traditie die lijkt te komen uit de westerse delen van het rijk zoals Argeddon en Eglaria. Beide domeinen leken de traditie al te doen voordat het rijk ontstond.
Brandend Zand
Ze kwamen in de ochtendgloren over de heuvels. Zonder veel te zeggen sloegen ze toe. Ze schreeuwden, lachten en zochten naar hun buit. Aan het einde van de ochtend vertrokken ze, terug naar de veiligheid van hun schip en de open zee. – Ooggetuige van Khamesh in Andesia
De Talversbork-piraten zijn op rooftocht. Ze plunderden de kust van Svebia, maar hebben nu hun grote kans gevonden in het verzwakte Andesia. Kan het Rijk een beslissing maken voor het nieuwe roofseizoen begint?
De Piraten van Talversbork
De piraten van Talversbork zijn een verzameling van schepen en kapiteins in een losse confederatie. Zij hebben zich verenigd met het doel op vrijheid, lage belastingen en het recht van de sterkste.
De piraten van Talversbork varen onder geen verenigde vlag. Een kapitein staat borg voor een andere kapitein, en dat is hoe een schip wordt verwelkomd of gezonken. Dit anarchistische systeem zorgt voor veel onderlinge strijd tussen de kapiteins, die proberen zo veel mogelijk prestige en angst te vergaren. Ze verenigen zich onder enkel twee omstandigheden: een dreigng van buitenaf, of plundertochten.
De Zomerse Zon
De piraten van Talversbork zijn al decennialang een plaag voor de oostkust van het Rijk. Menig schip gaat verloren aan ze, en ze kiezen er vaak voor om directe confrontaties te vermijden. Zo speelde zich een lange tijd een soort kat-en-muis spel. Het Rijk was niet snel genoeg om de plunderingen te voorkomen, maar de kapers niet sterk genoeg om een genadeslag toe te brengen.
In 189 n.R sloeg onverwachts een ramp toe. De Zomerse Zon, het enige actieve Rijksvloot was naar de oostkust gestuurd om af te handelen met de aanvallen vanaf Talversbork. Na jaren van weerbare dienst voelde het zich zelfverzekerd in haar kunde. De schermutseling die volgde was een hevige, en een geslaagde sabotage-actie van muiterij zorgde ervoor dat de vloot vast kwam te liggen tussen eilanden ten westen van Tariq’s Tand. De vloot toonde zich slecht manoeuvreerbaar tussen de rotsen, vergeleken met de lichtere en meer behendige schepen van de piraten. Zo kwam het dat dat jaar de enige Rijksvloot van het Rijk ten onder ging.
Schaamtegelden
Het Rijk verkeerde in een staat van paniek. Zonder een werkende vloot bleef de oostkust van het Rijk bijzonder kwetsbaar. Heel Talversbork stroomde leeg en de piraten sloegen hun kans. Van Tirki tot Allerstatt was geen dorp of boerderij veilig. De Rijkskassen liepen leeg dat jaar, oogsten vlogen in brand en burgers eindigden dood aan het zwaard of ontvoerd naar Talversbork, voor de slavernij.
Het Rijk trof consessies. Het Verdrag van Brugga (de Nederlaag van Brugga in de volksmond) werd in 190 n.R. gesloten. Om een nieuw plunderseizoen te voorkomen werd besloten om voor de komende tien jaar 300 Rijksgelden jaarlijks te betalen aan de piraten van Talversbork. Zij werden vertegenwoordigd door de Admiraal van Bosse. Deze ‘Schaamtegelden’ werden doorbetaald tot het jaar 200 n.R.
Een nieuw plunderseizoen
Sindsdien is er veel veranderd. De koning Alfonse is overleden, en Maximus regeert nu. Het Rijk staat onder druk van buitenaf, en heeft nóg een Rijksleger verloren. Niemand hoopte het terug te zien, maar het zachte lenteweer heeft de piraten van Talversbork teruggebracht. Hun zwarte zeilen en rode vlaggen zijn na 10 jaar relatieve rust een schrikbarend zicht.
De plaatsen Seesicht en Steyr am See zijn vroeg getroffen. Een snelle operatie stak de weinige krijgschepen die de skelds beheren in de fik, en de winkels in de haven werden beroofd en ontdaan van geld en goederen.
Wellicht nog indrukwekkender – of angstaanjagender – is de aanval op Khamesh. Deze plaats ligt enkele kilometers van de kust. De aanvallers moesten ruim een dag over land reizen, en wisten de onvoorbereide Andesianen te overmeesteren. Er zijn veel doden gemeld. Vee wat niet is meegenomen is afgeslacht. En uit de tellingen blijkt dat 23 Andesianen zijn meegenomen terug aan boord, om in Talversbork verhandeld te worden.
Bloed of Goud?
Tegelijkertijd is er via handelsroutes een brief gearriveerd in onze hoofdstad, Seraphis. De boodschap is simpel. Wil het Rijk de komende tien jaar betalen in bloed of in goud? Er wordt gevraagd om 400 Rijksgelden per jaar, wederom getekend door Admiraal de Bosse.
De Kroon zal afgezanten vanuit Talversbork ontvangen op het Buitenhof, en tegelijkertijd met de Rijksburgers aanwezig willen overleggen wat de juiste koers van actie is. Er is geen Rijksvloot, maar met de juiste middelen zou het Rijk relatief snel schepen kunnen commanderen tot een vloot in afwachting van een betere optie.
Of blijven ze betalen, en hun blik keren naar directe problemen over land?
Onze rapporten lezen van een uitdagende maar houdbare situatie aan de noordgrenzen van het Rijk. Versterkt door dappere Svebiaanse skelds houdt Uw IJzeren Garde de passen. Wij ontvangen echter ook rapporten over krachtbarbaren in onze achterhoede. Wij hebben geen mogelijkheid om op beide fronten te reageren, mocht het dialoog vastlopen.
Svebia Staat Sterk! – Generaal Sven Mannheim van de IJzeren Garde aan de Kroon
In het jaar 200 n.R. dreigt een breuk aan de noordgrens van Svebia en het Rijk. Het Rijksleger de IJzeren Garde houdt stand, ondanks grote verliezen aan beide kanten.
De pas bij Kallenna
Tijdens de Samenkomst kwam een noodoproep vanuit een grensfort nabij Kallenna. Een hinderlaag werd het kleine garnizoen fataal. Een ravage van lichamen, veelal Svebianen bedekte de muren en open plaats van het fort, maar wellicht het grootste vraagstuk was hoe een grenszegel – een barrière van verdedigingsmagie – gebroken kon zijn.
Met de hulp van de gasten van Koning Maximus, begeleid door zijn zoon prins Melicus, lukte het de Rijksburgers de stroom van krachtbarbaren te stoppen. De grenszegel werd hersteld, en het garnizoen aangevuld.
Fort in Kallenna
Als resultaat van één van de stemmingen is opdracht gegeven tot het bouwen van een fort in Kallenna, waar enkele van de bredere passen van de Wetterspitzen samenkomen. In oorlogsgebied bouwen blijkt een uitdaging. Toch is het Huis von Wesser gelukt om met de Rijkskas een provisorisch fort op te zetten, wat ongeveer halverwege is van het gewenste eindresultaat. Terwijl de werkzaamheden voortzetten maken ze slim gebruik van de aankomende sneeuw om ongemoeid verder te bouwen.
De Onarun
De barbaren die het garnizoen aanvielen droegen het element Kracht op zich. De symboliek was vergelijkbaar met een confrontatie tussen Rijksburgers en barbaren in Knachzwald (zie Gestolen Goederen).
De naam van deze Krachtbarbaren is via rapporten en krantartikelen als een lopend vuurtje door het Rijk. De Onarun. Duizenden barbaren proberen zich door verschillende bergpassen te wringen, maar stuiten op het Rijksleger – De IJzeren Garde.
Het is onbekend hoeveel barbaren het precies zijn, en hoe hun leiderschap eruit ziet.
Resultaten
Rapporten van verschillende grensforten verzamelden zich bij Nortschloss, het hoofdkwartier van De IJzeren Garde. Versterkt door de militaire eenheden de Gulden Kraaien en de militaire eenheid van Reiner von Grausstein hebben ze succesvol alle aanvallen verweerd. Gedetailleerde rapporten zullen verschijnen bij de Krijgsraad op het Buitenhof.
Achter de linies
Een groep krachtbarbaren waren al eerder aanwezig binnenin het Rijk, en vielen transporten aan. Ze zijn nu aangevuld door een grotere groep barbaren die bij de eerste aanval door waren gedrongen. De precieze getalen zijn niet bekend. Ze schuilen ergens in het Knachzwald, waar ze zich slechts sporadisch laten zien. Tot op heden zijn er geen grote incidenten, maar eenzame reizigers komen niet altijd aan op hun bestemming.
Er is een bericht meegekomen na de laatste keer dat de Onarun gezien werden. Een wens tot overleg met het Rijk. Zij hinten naar een kans tot samenwerking en een wens voor land en vrede.
De Fernacks
De beheerders van het Knachzwald zijn de Fernacks. Deze trotse naam trekt een directe lijn naar de eerste koning van Svebia. Zij hebben altijd in de wouden van het domein geleefd, en hoewel zij in de laatste decennia weinig invloed buiten het woud laten gelden, achtten zij zichzelf heer en meester van hun provincie.
De Onarun verstoren deze balans, en de gevechten tussen de skelds en barbaren zijn het hevigst. Aan beide kanten vallen gewonden in een kat-en-muisspel om de barbaren te vangen of te verdrijven.
Rijkstitel
In een vergeldingsactie is Woid aangevallen. Onder andere de houtzagerij van Woid heeft veel schade geleden. De zetel van de Rijkstitel levert minder werk op dan oorspronkelijk werd verwacht.
Krijgsraad
Op het Buitenhof zullen gedetailleerde rapporten verschijnen over de grenssituatie, en de Onarun die zich nu in het Knachzwald verschuilen. Bij de Kroon ligt de uitnodiging tot overleg met de Onarun. De ogen van alle betrokken partijen zijn gericht op de hoofdstad.
Hoe zal overleg met een vijand binnen de Rijksgrenzen gaan? Waar ligt de lijn van de invloed van de Kroon en de heerschappij van een groot adellijk huis over haar eigen gebieden?
De verspreiding van ogen
Sommigen dromen over de toekomst. Anderen worden door haar gedroomd.
— Verhaal van een nomade, opgenomen te Isarenth in Osmaril, aantal maancycli na de bijstelling van de wet van vorm.
De Wet van vorm
Tijdens de eerste Samenkomst op het Buitenhof bracht de Eglariaanse senator Meava Rhys een stemming op die grote gevolgen met zich mee kan dragen.
Ik draag namens het volk van Eglaria deze stemming uit.
Vele jaren voor het ontstaan van het Rijk is de keuze gemaakt om dierlijke geesten niet te verheffen tot landsentiteiten. Dit had te maken met onvoorspelbaarheid en incidenten rondom deze geesten.
Met de komst van het Rijk, gevolgd door vernieuwing in Eglaria ontstaat er discussie. De oude ideeën dat dierlijke geesten bescherming, inzicht en andere voordelen kunnen bieden drijven naar boven. De ene vindt het veilig zoals het is en nodigt liever geen onnodig onheil uit. Andere zeggen juist dat de dierlijke geesten voordelen bieden en dat de rijksburger niet anders is dan het dier in het bos, en op die manier gezien moeten worden.
Ik vind dat het Rijk dierlijke geesten weer moet toelaten om tot landsentiteit verheven te worden.
Deze stemming werd nipt aangenomen. Wellicht was het zelfs voor de Rijksburgers aanwezig al in te schatten wat de kansen of gevolgen van deze aangenomen wet waren.
Er doen zich sindsdien geruchten de ronde in Eglaria. Dierlijke geesten die zich roeren in zaken waar zij voorheen geen inspraak op kregen. Een van deze verhalen is door een Archivist genoteerd en uitgedeeld.
Het verhaal
De eerste verschijnselen na de stemming over de Wet van Vorm beginnen zich te manifesteren.
Toen ik mijn gebruikelijke route volgde over het oude pad door het Schaduwwoud, werd ik vergezeld door een uil. Op zichzelf geen bijzonder verschijnsel, ware het niet dat uilen zich normaal zelden tonen aan de inwoners van Eglaria en al helemaal geen reizigers volgen. Toch schonk ik er weinig aandacht aan.
In de dagen die volgden hoorde ik in herbergen en langs wegen dezelfde verhalen. Kooplieden uit het westen, pelgrims uit het zuiden en zelfs soldaten uit de grensforten meldden soortgelijke ontmoetingen.
‘’Zij keken slechts toe.’’
Tijdens een overnachting in een taverne nabij Manstawa werd ik bezocht door een geest. Dat was alleen al ongewoon, want geesten zoeken mij niet op en ik zoek hen niet op.
De verschijning nam de gedaante aan van een grote uil. Zijn veren leken uit grijze mist geweven en in zijn voorhoofd rustte een derde oog.
Zonder woorden bracht hij beelden in mijn geest.
Ik zag een wagen op een bospad.
Mijn wagen.
Ik zag wolven uit de schaduwen breken.
Ik zag bloed op het land.
En boven alles zweefde dezelfde drie-ogige uil.
Met bonzend hart ontwaakte ik. Ik lachte om mijn eigen angst en deed de droom af als een hersenspinsel van een vermoeide geest.
De volgende dag bewezen de wolven hoe weinig waarde mijn spot had.
Zij vielen aan precies zoals ik had gezien. Mijn paard kreeg de eerste sprong te verduren en de wagen sloeg scheef. Terwijl ik vluchtwegen zocht, klonk vanuit de bomen het roepen van een uil.
Een enkele toon.
Helder.
Dringend.
Ik zag hem zitten op een tak verderop. Zonder na te denken volgde ik.
Wat daarna gebeurde kan ik niet navertellen.
Mijn herinnering eindigt tussen de bomen.
Zij hervat zich pas toen ik wakker werd naast een verweerd wegwijsbord aan de rand van het woud. Mijn lichaam droeg schrammen en kneuzingen, maar geen wond die mijn overleven onmogelijk maakte.
Toen ik opstond schoot plotseling een gedachte door mijn hoofd.
Een karavaan zou spoedig verschijnen.
Niet als vermoeden.
Niet als hoop.
Als zekerheid.
Dus wachtte ik.
Na een halve zonnecyclus verscheen inderdaad een wagen uit het westen. Een echtpaar bood mij plaats, nadat ik mijn verhaal over de wolven had verteld.
Tijdens de reis keek de vrouw mij enkele malen vreemd aan.
Uiteindelijk vroeg zij:
“Wanneer heeft u het teken ontvangen?”
Ik begreep haar niet.
Zij overhandigde mij een kleine spiegel.
Daar zag ik het.
Midden op mijn voorhoofd bevond zich een teken dat er nooit eerder had gezeten.
Drie ogen.
Hetzelfde symbool dat ik had gezien op het voorhoofd van de geestelijke uil.
Op dat moment voelde ik iets bewegen achter mijn gedachten.
Geen stem.
Geen bevel.
Slechts een aanwezigheid.
Alsof iemand vanaf een grote afstand meekeek door mijn ogen.
Later hoorde ik dat ik niet de enige was.
In de weken na de herziening van de Wet van Vorm werden door heel Eglaria soortgelijke verhalen opgetekend. Reizigers droomden van gebeurtenissen die vervolgens plaatsvonden. Boeren vertelden dat onbekende gedachten plotseling als zekerheden in hun hoofd verschenen. Kinderen tekenden drie ogen in de modder zonder te weten waarom.
Steeds opnieuw werden uilen gezien.
Steeds opnieuw verschenen tekens.
En steeds opnieuw volgden gebeurtenissen die men meende reeds te hebben aanschouwd.
Sommigen noemden de verschijning een ziener.
Anderen een entiteit.
Weer anderen een boodschapper.
